Terminologie / nomenclatuur

Er zijn in de plantenwereld nogal wat termen waar we aan moeten wennen. Men heeft het over families, geslachten en soorten, hoe zit het in elkaar?

Sinds miljoenen jaren hebben planten zich verspreid en onder druk van de geheel verschillende omstandigheden waarin ze moesten gedijen, hebben ze zich ook geheel verschillend ontwikkeld.
Rhododendrons bijvoorbeeld hebben in gebieden met zeer lage temperaturen geheel andere kenmerken gekregen dan in tropische streken. Sommigen hebben zich geleidelijk aangepast aan droge omstandigheden, andere hebben juist geleerd zich aan te passen aan een overvloed van vocht. En nog veel meer omgevingsfactoren hebben geleid tot een grote variatie in de plant. Een variatie overigens waar wij dankbaar voor zijn, immers één uniforme Rhododendron zou een saaie toestand worden en in ieder geval deze website overbodig maken.

Maar, omdat er variatie is en we met zijn allen daarover op een duidelijke manier willen communiceren, is er een indeling nodig die ervoor zorgt dat als we het over een bepaalde Rhododendron hebben, iedereen ook begrijpt welke Carolous (Carl) Linnaeus eigenschappen bij die plant horen, groeihoogte, habitus, bloemkleur, bloemgrootte, bloeitijd, winterhardheid, bladverliezend of wintergroen, en zo voort.

Aan de basis van een indeling die het mogelijk maakt om op een logische manier, eenduidigheid in naamgeving van planten te bewerkstelligen staat Carl Linnaeus, een zweedse wetenschapper uit de 18e eeuw. Hij publiceerde in 1758 "Systema Naturae", een eerste aanzet tot classificatie van planten en dieren.

Het plantenrijk is ingedeeld in afdelingen, klasses, ordes, families, geslachten (genus) en soorten (species). Bij elk van die indelingen is dan nog eens tweede en soms een derde en een vierde tussen-indeling mogelijk zoals ondergeslachten, secties en subsecties tussen geslachten en soorten in. Soorten kunnen weer onderverdeeld worden in subsoorten of in variëteiten. Op het niveau van subsoort kunnen ook weer variëteiten worden onderkend.
Voor een unieke naamgeving van een plant hebben we overigens alleen maar de geslachtsnaam, en de soortnaam nodig en soms een toegevoegde naam voor nadere specificatie.

Nomenclatuurregels

Botanische plantennaam
De "botanische naam" van een plantensoort, bestaat uit een geslachtsnaam en een soortaanduiding. Dit tesamen noemt men een soortnaam. Enkele voorbeelden hiervan zijn Rhododendron ciliatum, Rhododendron dauricum en Rhododendron auriculatum.

Bij een subsoort, wordt na de soortnaam de afkorting ssp.(subspecies)gebruikt, gevolgd door de subsoortnaam. Zoals Rhododendron rex ssp.rex, Rhododendron rex ssp.fictolacteum en Rhododendron forunei ssp.discolor.
Uit voorgaande classificatie systemen, waarbij geen subsoorten werden gebruikt, komt men ook de volgende schrijfwijze tegen: Rhodendron rex en Rhododenron fictolacteum.

Botanische variëteiten
Bij een "botanische variëteit" wordt de plantennaam opgebouwd uit 3 delen: geslachtsnaam, soortaanduiding en variëteitnaam. Deze laatste wordt door de afkorting var. vooraf gegaan.
Enkele voorbeelden zijn: Rhododendron oreodoxa var.fargesii, Rhododendron oreodoxa var.shensiense en Rhododendron rex ssp.fictolacteum var.miniforme.
De geslachtsnaam wordt altijd met een hoofdletters geschreven en de soortaanduiding met een kleine letter.

Cultuurvariëteiten
Als men Rhododendron species met elkaar kruist, onstaan er hybriden. De beste nakomelingen van een kruising, kunnen uitsluitend vegatief worden vermeerderd door stekken, afleggen, enten of weefselkweek. In de naamgeving van dergelijke exemplaren treft men de soortnaam niet meer aan, maar naast de geslachtsnaam een specifieke naam voor deze hybriden of cultivar. Enkele voorbeelden zijn: Rhododendron 'Praecox', Rhododendron 'Cunningham's White' en Rhododendron 'Goldkrone'.

In de natuur komen ook bij species afwijkingen voor, die aantrekkelijk zijn voor vegatieve vermeerdering. Men spreekt dan over een selectie. Zowel bij hybriden als bij selecties gebruikt men het woord cultivar. Dit is een afkorting van het woord "cultuurvariëteit". Bij een selectie is de soortaanduiding nog wel van toepassing. Voorbeelden van naamgeving zijn: Rhododendron dauricum 'Hokkaido', Rhododendron bureavii 'Lem' en Rhododendron augustinii 'Electra'.

De cultivarnaam of rasnaam wordt tussen enkele aanhalingstekens geplaatst en begint met een hoofdletter.